
"Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven. Wie wil mijn duifje even geven? Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven. Wie wil mijn duifje even geven?". Kinderen zijn dol op rijmpjes en woordspelletjes die blijven hangen en aanzetten tot nadoen. En bovendien worden de kleintjes nog gestimuleerd. Door zich bezig te houden met rijmpjes of liedjes ontwikkelen kinderen taalgevoel en leren ze spelenderwijs dat woorden uit lettergrepen en klanken zijn opgebouwd. Deze ervaring is vooral belangrijk voor het latere leesbegrip van de kleintjes. Daarom is het belangrijk om zelfs de allerkleinsten al te vermaken met leeftijdsgeschikte aanraak- of vinger spelletjes. Op deze manier leren baby's al een verband te leggen tussen de taal en wat er gebeurt. Vingerspelletjes, kinderrijmpjes & Co. zijn er voor verschillende leeftijden. Ze kunnen optimaal in het dagelijks leven worden geïntegreerd en ondersteunen gericht de taalontwikkeling.
Aanraakspelletjes ondersteunen de taalontwikkeling
Kinderen leren niet alleen met hun gehoor, maar met al hun zintuigen. Hoe meer zintuigen worden aangesproken, hoe beter het gezegde blijft hangen. Precies daarom zijn aanraakspelletjes bijzonder geschikt voor baby's. Als ouders alledaagse situaties, zoals het verschonen of baden, met woorden begeleiden, leren de kleine spruiten een verband te leggen met wat er gebeurt. De bekendste aanraakspelletjes zijn waarschijnlijk "Pitsie, patsie Pieter", waarbij steeds in de handpalmen van het kind wordt geklapt, of "Hoppe, hoppe, ruiter", waarbij voorzichtig het vallen van het kleine beschermelingetje wordt gesuggereerd. Het bekende lied heeft zijn oorsprong rond de 18e eeuw. Geen wonder dat er sindsdien enkele strofen bij zijn gedicht. Een variant die wij bijzonder leuk vinden:
https://youtu.be/yM87KmxXfwI
Vingerspelletjes scholen motorische vaardigheden
Vanaf een leeftijd van twee jaar nemen de vingertoppen van kinderen meer prikkels op. Zo kunnen de vingertjes afzonderlijk en gericht worden bewogen. Hier kunnen vingerspelletjes helpen om deze ontwikkeling te ondersteunen. Bovendien scholen ze gericht de fijne motoriek. Door bepaalde klanken steeds bijzonder te benadrukken of te herhalen, proberen de kleintjes zich al aan de eerste brabbelmonologen. Een variant waarbij vooral de klanken au en ei worden benadrukt:
„Dat is de duim
die schudt de pluim
die raapt ze ein
die draagt ze heim
en de kleine boef eet ze helemaal alleen!”
De duim begint. Dan worden de wijsvinger, middelvinger, ringvinger en pink één voor één vastgepakt. Door het bewegen van de afzonderlijke vingers wordt enerzijds de beweeglijkheid van de gewrichten getraind. Bovendien wordt de coördinatie van de handen getraind. De iets oudere kinderen vanaf twee jaar kunnen dan al echt meedoen met de kleine verhaaltjes, door het rijmpje steeds weer te ondersteunen met bepaalde handbewegingen. Een voorbeeld:
|
Katten kunnen muizen vangen
|
Opgezette wijsvinger en pink stellen de kattenkop voor.
|
|
hebben klauwen als een tang
|
Beide handen symboliseren daarentegen de pootjes.
|
|
glijden door de gaten in de vloer
|
De wijsvinger van de ene hand glijdt door de holte van wijsvinger en duim van de andere hand.
|
|
soms ook op de daken
|
Vervolgens met beide handen een dak vormen.
|
|
Muizen met de lange staartjes
|
Daarop een gebalde vuist maken. De uitgestrekte pink is het muisje.
|
|
dansen op het dak een dansje
|
Daarna linkerhandpalm uitstrekken. Het muisje laten dansen.
|
|
... zachtjes, zachtjes komt de kat
|
De kattenkop van boven langzaam heen en weer bewegen.
|
|
en pakt de muis ... met één sprong!
|
Tenslotte vangt de rechterhand de linker.
|
Verbeeldingskracht trainen met kinderrijmpjes
Kinderen zijn trots als ze een rijmpje uit hun hoofd kunnen opzeggen. Daarbij leren ze een verband te leggen tussen taal en wat er gebeurt. Bovendien stimuleren de grappige rijmpjes de verbeeldingskracht van de kleine spruiten. Kinderrijmpjes die leerzame informatie overbrengen, zijn bijzonder goed voor kinderen, omdat ze de boodschap dan veel beter begrijpen en internaliseren. Een mooi voorbeeld is het volgende verkeerslichtenrijmpje:
Kijk, het stoplicht staat nog op rood,
dat betekent loopverbod.
Als het groene licht te zien is,
mag je oversteken.
Bij rood blijf staan,
bij groen kun je gaan.
Bij geel let op,
zo werkt het.
Taalontwikkeling door speelliedjes
Een speellied is bijzonder geschikt om in een andere rol te kruipen. Daarbij zijn taal, woorden, ritme, maar ook de handeling van bijzonder belang. De meeste ouders kennen het lied "Haasje in de kuil" van Friedrich Fröbel. Hierbij imiteren de kleintjes het haasje, dat eerst heel stil en ziek in de kuil zit en dan door vrolijk zingen weer wordt aangezet tot springen. Een ander kinderliedje dat de kleintjes gegarandeerd niet meer uit hun hoofd krijgen en dat bovendien aanzet tot beweging, is dat van de apenbende:
https://youtu.be/Tr-Qq00rvQ4
Kinderen vinden het heerlijk om af en toe in een andere rol te kruipen, zoals die van de grappige aap of het kleine haasje. Dat gaat bijzonder goed door steeds weer een andere toon aan te slaan of de bijpassende bewegingen bij het lied na te bootsen. Het internet staat vol met mooie kinderrijmpjes en liedjes die de kleintjes gegarandeerd veel plezier bezorgen.
Afbeeldingen: ©Thinkstock / Fernow